Jan de Smit, man van Nataleigh, man van Lokeren, man die zandsteen eet tussen zijn stuutjes, 42 jaar, voormalig Belgisch kampioen boulder, routebouwer, coach, doorwinterde Fontenier en op de top van zijn kunnen. Op 15 april jongstleden klom hij, in zijn geliefde Franse woud, Mécanique Elémentaire 8B+. Tussen de koffie en de mattentaart hadden we het over evoluties en verlangens, gradaties en grasmaaiers. Een interview.

VT: Tegenwoordig hou je er een drukke agenda op na, je werkt als coach, routebouwer, bent verdeler van klimgrepen en klimschoenen. Hoe heb je het voor mekaar gekregen om, tussen die drukke werkdagen in, een knalharde blok als Mécanique Elémentaire te toppen?

Jan: Met een voltijdse job is het inderdaad moeilijk om optimaal te trainen.  Je moet productief zijn met de tijd die je hebt en doen wat mogelijk is. Overdag test ik veel passen van de boulders die ik zet en op de dagen dat ik training geef test ik veel van de oefeningen die in de training worden gegeven. Gemiddeld train ik 2u per dag en dat is voldoende. Ik wissel telkens af tussen verschillende vormen van powerliften, campussen, hangtraining, klimmen en lopen. Daarnaast proberen we twee weekends per maand vrij te houden om buiten te gaan klimmen in Fontainebleau en de schoolvakanties zijn ook gereserveerd om buiten te klimmen.

VT: Kies je bij een project voor de moeilijkheid van de route of ga je vooral af op de schoonheid van de bewegingen?

Jan: Liefst een mooie en pure lijn natuurlijk… maar soms kunnen boulders die op het eerste zicht tegenvallen tóch heel leuk klimmen. De moeilijkheid is een richtlijn, sommige 7B’s voelen voor mij harder aan dan sommige 8A’s. Ik ben trouwens een “alleseter” en kan even erg genieten van circuits te klimmen dan van harde blokken te proberen.

VT: Hoelang heb je gewerkt in ME en hoe verliep het proces? Heb je er specifiek voor getraind?

Jan: ME was voor mij zeker niet de moeilijkste boulder die ik ooit topte en ik heb er niet zo lang in moeten werken. In totaal waren vier sessies van ongeveer een uurtje voldoende. Ik neem graag mijn tijd met een boulder om bèta te tweaken en om de passen te optimaliseren, maar hier ging het wel heel snel. De eerste sessie was met vrienden. Ik ging die dag mee om te spotten in Opium (een boulder op dezelfde blok) en wou de grepen van ME gewoon eens voelen. De tweede sessie was heel toevallig toen ik met Bart Van Raaij afgesproken had om naar een andere boulder te gaan in hetzelfde gebied. Bart en Michiel Nieuwenhuijse waren in ME en Opium aan het werken en ik besloot om zelf ook eens te proberen. Tot mijn verbazing lukten toen alle passen en kon ik zelfs een paar passen linken, maar uiteindelijk bleef het bij wat prullen. De derde sessie ging ik bewust voor ME en trof daar de crew van Antwerpen met Rob Denayer aan die de boulder vrij snel kon klimmen. Tot mijn eigen verbazing klom ik diezelfde dag tot aan de zwaai op het einde. Helaas begon het toen te regenen en moesten we onze schoenen opbergen. De vierde sessie was het zover, ik ging er naartoe om te toppen en na de opwarming was het bij de eerste poging al prijs. Gelukkig had Nataleigh het initiatief genomen om de camera op te stellen en te filmen, want ik had helemaal niet verwacht om zo snel te kunnen toppen.

In tegenstelling met andere boulders, zoals bijvoorbeeld Duel 8A, waar ik waarschijnlijk wel meer dan tien sessies in heb gewerkt en specifieke vingertraining voor deed, heb ik voor ME dus niet specifiek getraind. Deze boulder in mijn stijl voelt aan als soft 8B en Duel eerder als 8A+ in mijn anti-stijl.

VT: Wat was het verschil met pakweg  L’apparement Bas?

Jan: De twee boulders zijn vergelijkbaar, overhangend met redelijke grepen en atletische passen. L’apparement Bas heeft ongeveer hetzelfde aantal sessies geduurd, maar voelde harder aan dan ME.

VT: Je hebt de gewoonte om je boulders een Personal Grade (PG) toe te kennen. Een bewuste keuze?

Jan: Tot grote frustratie van velen zijn gradaties bijna altijd relatief. Het absoluut meetbaar maken van prestaties is eigen aan de mens. Er zijn een aantal factoren die het niveau bepalen: de afstand tussen de passen, het aantal passen, de complexiteit en de grootte van de grepen.  Dit betekent dus dat de lengte, het gewicht, de mobiliteit en het inzicht van de klimmer zullen bepalen hoe moeilijk de route aanvoelt. Met als logisch gevolg dat hoe hoger de graad van een route/boulder hoe specifieker en dus relatiever een gradatie zal zijn. Het is duidelijk dat over het algemeen een laag gewicht hebben een groot voordeel is bij het lengteklimmen en bij het klimmen op kleine grepen en dat groot zijn over het algemeen een voordeel is bij atletische routes/boulders. Daarnaast heeft het moment van de send ook een invloed op de gradatie, weerscondities, vorm van de dag, vermoeidheid,… Ik zag reeds veel topklimmers uit 6A’s vallen in Fontainebleau, om daarna een 8ste graad te toppen…

VT: Hoe zorg jij dat je op het moment van de waarheid in topvorm steekt?

Jan: Fit zijn is moeilijk te timen. Er zijn vele factoren van tel zoals slaap, voeding, training, hydratatie,  etc... Om aan al de voorwaarden van een goede voorbereiding te kunnen voldoen heb je veel vrije tijd nodig. Dus met een druk werkschema en andere verplichtingen is stress een van de meest belemmerende factoren in de voorbereiding. Door de jaren heen leer je beter naar je lichaam luisteren en de symptomen sneller aan te pakken. Als ik echt topfit wil staan heb ik een moment van supercompensatie nodig. Ik volg cycli van 4 weken trainen, 1 week actieve rust, 4 weken trainen,
1 week tapering, enz… en probeer zo wat te mikken naar de schoolvakanties. Ik merk wel hoe ouder ik word, hoe trager die supercompensaties op gang komen. (lacht)

VT: Font blijft duidelijk je favoriete speelplek, waarom eigenlijk?

Jan: Wij reisden de wereld rond op zoek naar het beste bouldergebied maar het lag al die tijd in onze achtertuin… Het is leuk om ergens te klimmen waar je zoveel geschiedenis hebt en waar je toch telkens weer nieuwe dingen blijft ontdekken. Fontainebleau blijft mijn favoriet omdat het zo dichtbij is, de aanloop zo goed als nihil is, de landingen over het algemeen heel goed zijn én je er gratis kan overnachten op de bivak. Er zijn nog gebieden waar je zelfs in hoogseizoen helemaal alleen kan klimmen en er nog heel wat te openen valt. Daar bovenop blijft Fontainebleau het meest ontwikkelde en grootste bouldergebied ter wereld… Een goede tweede is Rocklands in Zuid-Afrika, dat ook heel veel potentieel heeft, maar minder ontwikkeld is.

VT: Herinner je  je eerste dag in Font nog?

Jan: Ik moet zestien jaar geweest zijn tijdens mijn eerste Fonttrip en had ergens iets opgevangen of over Fontainebleu gelezen in Grimper (Frans klimmagazine). Maandenlang heb ik aan mijn ouders hun oren gezaagd, tot ze me tijdens het paasverlof op camping ‘La Musardière’ dropten. Helemaal alleen en met een zelfgemaakte crashpad, om twee weken later terug te worden opgehaald. Ik ging dan elke dag te voet naar een gebied om wat circuits te klimmen.

VT: Welke weg heb je afgelegd van rookie tot een boulder als ME?

Jan: Ik begon op 13-14 jarige leeftijd met klimmen in klimzaal “De Dam” in Lokeren en was misschien wel de minst getalenteerde van alle tieners in de club. Wel was ik toen al enorm koppig  en vastberaden en ging ik steeds op zoek naar oplossingen. Helaas bestonden er in 1986 nog geen boulderzalen en waren wij dus genoodzaakt om op de ouderwetse manier met touwen te klimmen. We trainden wel op een soort moonboard in onze “home caves”  à la Jerry Moffat en Ben Moon (2 ijzersterke Britse klimmers uit de jaren ’90). Toen in 1995 Klimzaal Blok zijn deuren opende konden wij eindelijk in een echte boulderzaal klimmen. Ons voorbeeld waren de VHS films van “Masters of Stone” (’92)  en ‘The Real Thing’ (‘96). We vulden onze klimtrainingen aan met turnoefeningen en campussen. Een paar jaar later waren wij kind aan huis in Klimzaal Bleau te Gent en later ook bij de City Lizard in Sint-Niklaas. 

Toen wij begin 2000 in Fontainebleau klommen, probeerden wij in team zoveel mogelijk zevende graads te klimmen. Dit was een heel andere opzet dan voor vele klimmers nu, die enkel nog achten willen toppen en weinig oog hebben voor de “makkelijkere” boulders. Misschien konden wij toen ook al hardere boulders klimmen, maar dat was niet prioritair. Na deze periode begonnen de reizen naar Hampi, Rocklands, Hueco Tanks, Thailand, Bishop, Joe’s Valley, Flagstaff, Albarracin, Targasonne, Magic Wood, … In tegenstelling tot Fontainebleau zijn er hier geen circuits aangeduid en is het aantal boulders ook beperkter. Eens je dan rond bent met de boulders op je niveau, ben je verplicht om ook in hardere boulders te projecten. Daardoor kreeg ik de smaak te pakken van het projecten in de voor mij moeilijke boulders. De hardere niveaus deed ik dus pas vanaf mijn dertigste.

VT: Is dat een van de opmerkelijkste tendensen in de moderne klimscene, dat er meer oog is voor het product en minder voor het proces?

Jan: Exact. Het avontuur maakt meer plaats voor marketing. Gesponsorde atleten hebben contracten met grote merken waarvoor zij regelmatig prestaties moeten leveren om in de kijker te staan. Je merkt hierdoor dat sommige harde first ascents achteraf drastisch worden afgequoteerd. Het belang van de instant media en sponsors heeft als gevolg dat de ontdekkingsweg van de atleet vaak wordt ingekort. Vroeger stonden klimmers aan de rand van de maatschappij, het was een verzameling van sportieve waaghalzen die geen plek vonden in de reguliere sportclubs. Nu is de klimsport mainstream geworden en volgt die dus meer de individualisering van de samenleving. Een ancien zei mij laatst nog dat de “geest” van het klimmen is veranderd en dat veel klimmers zichzelf als “merk” profileren en alles meer draait om de individuele prestatie. Wat is die vroegere “geest” van de klimsport dan, vroeg ik mij af? Misschien was het vroeger meer te doen om het avontuur. Dit is in sterk contrast met de huidige individualisering van de sport. Ik bedoel dit niet als kritiek, het is een observatie. Een doel stellen is een verlangen opwekken. Sommigen zien het toppen van iets moeilijk als doel, ik vind het even waardevol om het proces daar naar toe als doel te stellen. En als er dan iets hards uit de bus valt is dat mooi meegenomen maar dus nooit een doel an sich. Op die manier geraak je ook niet teleurgesteld en zouden we minder atleten zien met een burn-out.

 

VT: Deed je nog andere sporten voor je begon te klimmen en heeft je dat geholpen bij het klimmen?

Jan: Ik was eigenlijk van nature een goeie zwemmer, maar dat vond ik te eentonig. Ook voor hoogspringen had ik wel talent en werd ik zelfs uitgenodigd om winterstages te volgen voor nationale competities. Maar ook dit vond ik te saai om als sport verder te doen. Voor de rest een  beetje atletiek, wat turnen, maar niets serieus. Ik wou ook graag voetballen maar werd vaak naar huis gestuurd door de trainers omdat ik op geen bal kon trappen…

VT: Zoals je reeds vertelde maakte je vroeger lange klimtrips van vaak een half jaar. Mis je die periode of ben je van plan om er terug lange tijd op uit te trekken?

Jan: Wij hebben nu twee heel leuke hondjes en ik laat ze niet graag meer alleen achter of in handen van een asiel. Ik mis de lange reizen niet en kan nu nog steeds genieten van 6 klimweken tijdens de zomermaanden. Dan kunnen de hondjes gewoon mee. Toen ik veel reisde had ik trouwens veel verschillende, erg fysiek belastende, jobs. Nu geniet ik enorm van mijn werk in de klimzaal als trainer en routebouwer, dat is ook waardevol.

VT: Je vrouw Nath klimt ook. Een must?

Jan: Wij hebben inderdaad het geluk dat we dezelfde passie delen, zeker een voordeel als je graag véél wil klimmen. Het is super leuk dat je elkaar kan steunen en helpen om doelen te bereiken. Klimmen is voor velen een levensstijl en wat is er nu beter als je je leven kan delen met iemand die dat begrijpt.

VT: Doen jullie soms nog eens een klimgordel aan?

Jan: Vroeger meer dan nu, maar het gebeurt nog dat wij gaan verzuren in wat routes in Freyr, Bomal of bij vrienden in Sardinië. Momenteel ben ik aan het werk in een, recent geopende, korte 8c route rond Pont à Lesse.

VT: Waar haal je je voldoening uit als routebouwer? Kan je het vergelijken met buiten boulders openen?

Jan: Binnen en buiten “openen” zijn twee heel verschillende dingen. Buiten hoop je onder het mos en tussen de heuvels en na veel zoeken eens een juweeltje te vinden. Dat draait vele keren op niets uit, maar soms…

Binnen is het een wikken en wegen tussen wat klanten verwachten en je eigen stijl. Klanten zijn terecht kritisch en hebben allemaal hun eigen noden en verwachtingen die erg uiteenlopend kunnen zijn. Een boulder binnen kan nooit ‘slecht’ zijn, want smaken en stijlen verschillen. Veel heeft te maken met hoe je de boulder klimt. Routebouwers zijn dealers in endorfines en de klanten verwachten een fix. (lacht) Daardoor vinden mensen de boulders die ze kunnen mooi en degene die ze niet kunnen minder mooi. Als routebouwer moet je daar boven staan. Ik vind het wel erg leuk dat je binnen onmiddellijk feedback krijgt. Buiten steek je soms veel energie in een blok dat nooit herhaald wordt of ben je drie uur aan het kuisen om dan te merken dat er toch geen grepen onder het mos verscholen liggen.

VT: In 2014 startte je samen met Nath en Yannick Steelfingers op. Een platform voor trainingsadvies dat uitgroeide tot een klimclub. Wat trekt je het meeste aan in het trainingswerk?

Jan: Het is leuk om anderen hun doelen zien te bereiken en hen te zien genieten van de training. Mijn generatie had geen idee wat gezond en goed trainen was, met veel blessures als gevolg. Nu kan ik de moderne trainingsmethodes mee geven aan mijn klanten en dat geeft veel voldoening. Steelfingers was trouwens eerst een blog van een groep vrienden met verhalen over onze avonturen in Fontainebleau. Het is tof om te zien dat de database aan oefeningen regelmatig bezocht wordt.

VT: Heb je zelf ooit een coach gehad?

Jan: Nee, niet echt. Ik had hier en daar wel een jeugdtrainer waar ik veel van opstak, zoals Johan Mus en Christian Rolfs. De meeste dingen heb ik geleerd aan de hand van zelfstudie en trial and error.

VT: Wat wil je op de eerste plaats mee geven aan je atleten?

Jan: Ik hoop eerst en vooral dat ze globaal sterker worden en dat ze op een gezonde manier een lange klimcarrière tegemoet gaan. Ten tweede is het belangrijk te leren omgaan met succes en falen. Eens je een bepaald niveau haalt ontstaat er vaak een sociale druk om te presteren op commando. Je hoogste niveau constant aanhouden is onmogelijk. Ik val zelf nog regelmatig uit 7A’s, zeker tijdens harde trainingsweken.  Leer omgaan met je sterke en zwakke punten en neem falen niet te serieus. Voor veel atleten is dit het struikelblok. Productief falen beteketd ook dat je zonder angst leert klimmen in je anti-stijl.

VT: Vorig jaar knapte je volledige bicepspees. Heeft deze ervaring je sterker gemaakt of net niet? Ben je voorzichtiger sindsdien of was het pure bad luck?

Jan: Dit was zeker niet de eerste en de laatste tegenslag, maar ik ben er niet per se voorzichtiger op geworden. Eigenlijk ben ik altijd al een voorzichtige klimmer geweest. Ik heb uit ondervinding geleerd dat het lichaam heel makkelijk adapteert na blessures en dat je de handdoek zeker niet te vroeg in de ring moet gooien. Had ik naar de dokters geluisterd was ik al 5 keer moeten stoppen, de eerste keer twintig jaar geleden. Je leert je lichaam verzorgen, maar niet te obsessief want anders komt die verduivelde stress weer om het hoekje loeren. Het is makkelijk om te gaan en te blijven gaan, maar net dat loslaten af en toe is belangrijk. Bij sommige atleten is dat net omgekeerd. Het evenwicht is belangrijk en een coach kan daar bij helpen.

VT: Je hebt er zelf een competitiegeschiedenis opzitten, met zelfs een Belgische titel op je 38ste. Wat vind je van de evolutie in het competitieklimmen, de gymnastische stijl en het nieuwe zone-systeem?

Jan: De klimindustrie wil meer kijkcijfers want dat betekent meer klanten voor de federaties en meer verkoop. Dit willen ze bereiken met meer spektakel op nationale en internationale wedstrijden. Persoonlijk vind ik het wel een toffe stijl om naar te kijken en met het nieuwe zone-systeem zijn de comps makkelijker te volgen.

Deze stijl van klimmen is wel ver verwijderd van het buitenklimmen en is meer te vergelijken met parcours. De competities reflecteren dus niet echt meer de roots van het klimmen.  Maar dat zei men in het begin natuurlijk ook over het plaatsen van de eerste bolts (vaste ankerpunten) en toen werd de term “sportklimmen” geboren…

Ik denk dat het belangrijk is dat wij ons beeld van wat klimmen is en kan worden, moeten blijven opfrissen.

 

VT: Is er klimlegende (levend of ancien) waarmee je graag eens een cordée zou willen vormen of een weekje zou willen rondhangen in Font?

Jan: Wij hebben tijdens onze reizen doorheen de jaren reeds vele klimlegendes ontmoet, maar er zijn toch nog een paar legendes zoals John Gill en Wolfgang Gullich waar ik eens een weekje mee op trip zou willen gaan. Dit waren eigenlijk de eersten die een systematische training ontwikkelden in hun zoektocht om beter te kunnen klimmen. Gill kwam uit de gymnastiek en was de eerste die magnesium introduceerde bij het klimmen. Hij had een uitzonderlijke visie, in zijn boek “Master of Rock” spreekt hij over o.a. bewegend mediteren en een verhoogd bewustzijn waarin je terecht kan komen tijdens harde beklimmingen. Kortom, ‘zen and the art of bouldering’. Interessante materie, lees er eens over. Gullich is simpelweg een jeugdheld. Twee eigenzinnige mensen die out of the box durfden te denken en zo enorme progressie maakten.

VT: Sommige mensen zouden zelfs durven zeggen dat je op Wolfgang begint te lijken. Tot hoe lang wil je je haar nog laten groeien? Ik denk zolang het groeit word ik sterker… een metafoor voor mijn koppigheid. Misschien moet ik het deze zomer maar eens afknippen.

VT: Een schoon broske is altijd proper… Staan er momenteel nog trips of projecten op de agenda?

Jan: Deze zomer, 6 weken door Europa. We zien wel waar we eindigen of vertrekken, het touw én de crashpads gaan mee. Ik houd niet van te strakke agenda’s, dat reist veel relaxter.

VT: Ten slotte, wat zou jouw ultieme advies zijn voor de beginnende Fontganger?

Jan: Circuits klimmen is een beetje uit de mode, maar eens een dagje een geel, rood of blauw circuit gaan klimmen is een ideale manier om te wennen aan de specifieke klimstijl van Font en gegarandeerde fun. Veeg je voeten proper door het zand en de aarde aan je schoenen verslijt het zandsteen heel snel. Ook het magnesium dat aan de rots blijft hangen veeg je maar beter af als je klaar bent met een boulder. Sleep je crashpads niet over de grond maar til ze op, dit zorgt voor minder erosie onder de start van de boulders. Ik ken een paar boulders die op tien jaar tijd een meter dieper starten… Spotten en het plaatsen van je crashpads is heel belangrijk, zeker voor de beginnende boulderaar. Zorg dat er ten allen tijde iemand spot en leg je pads zo neer dat ze nauw tegen mekaar aansluiten om zo een vlakke landing te garanderen. Niveau’s zijn relatief, ga dus niet te snel af op de quotatie van de topo.

 

VT: Met deze tips for trips sluiten we af. Wie benieuwd is geworden naar Font, Steelfingers of grasmaaien kan altijd verder terecht op steelfingers.be of bleau.info.

verticalthinkingvzw@gmail.com

https://www.facebook.com/verticalthinking

Gilles: 0499/41 46 26

Renaat: 0485/58 61 72

Graag enkel bellen tussen 10 en 18u

Vertical Thinking vzw

Koningin Fabiolalaan 58

9000 Gent

BE66 7360 1379 1343

0632.511.165 RPR Gent